Pagina afbeelding

close

Meld je aan

Spanning als brandstof

Optreden

Naar aanleiding van het cabaret dat 2thepoint voor de collegae van het Spine & Joint Centre deed, kwam het gesprek – relaxt hangend op de bar in de personeelsruimte – op spanning. Of we niet zenuwachtig waren voor we moesten beginnen. Eerlijkheid gebiedt te zeggen: half om half. Als gemengd gehakt. Eén van ons werd in de aanloop zeer zenuwachtig, waardoor de ander het ook werd, en dit viel compleet weg toen we op het podium stonden.

Toen kwam de realisatie: hoe leidt spanning tot de bodem van de Grand Canyon der prestaties? Wie houdt het in beheer (als een dressuurpaard)? En wie gebruikt het als brandstof?

Presteren onder druk

Enfin, mijn nieuwsgierigheid was gewekt naar mensen die wérkelijk prestaties moeten leveren op het podium en hoe ze daarin worden beïnvloed. In huidig onderzoek komen musici, balletdansers en topsporters voorbij. Het leek me ook leuk om te kijken naar onder zware druk staande chirurgen, als ze bezig zijn met levensbepalende operaties. Maar dat levenspodium viel wat tegen: er is wel iets te vinden – hoe fysiek te meten stress ook subjectief terug te vinden is (Jones et al., 2015), alsook hoe onder druk focustechniek van de ogen kan helpen in de performance (Causer et al., 2014) – maar verder lijkt het bij aanbevelingen te blijven (Ignacio et al., 2016). Nieuwsgierigmakend, vind ik dat.

Opbloeien onder druk

Maar wat maakt dat de één opbloeit onder druk en de ander zichzelf grootse prestaties ontneemt (choking => zie tennisspeelster Jana Novotna die tijdens Wimbledon 1993 na eerst 4-1 en 40-30 voor te hebben gestaan in de derde set, huilend op de schouder van de hertogin van Kent lag omdat ze roemloos ten onder was gegaan tegen Steffie Graf)?

Petito en collegae (2016) wagen er een gen aan te koppelen. Zij stellen vast dat dit specifieke gen met neuroticisme en negatieve stemming samenhangt. Ook wordt er een mooie koppeling gemaakt door Kenny (2016) die vanuit diverse case-studies bij musici ontdekt dat gehechtheid een probleem is. De effecten van psychotherapie zijn hierin ook gemeten en hebben tot een betere performance geleid. Gekoppeld aan de effecten ‘sociale evaluatie’ – zoals dat zo mooi heet – is het logisch dat hechting hierin een rol speelt. Een verhoogd bewustzijn van de omgeving (en diens wens), kan interfereren met dat wat jij zelf wilt doen. Het resultaat: een verstoorde motorische output (Yoshie et al., 2016). Het je bewust zijn van de ogen die op je vingers kijken en (on)veilig gehecht zijn, kunnen eenvoudig op elkaar inhaken. Als je van jongs af aan gewend bent dat er ogen met jou meekijken in wat je doet op een manier die jou onzeker maken, zal het presteren onder druk mogelijk moeilijker zijn.

Ogen die meekijken

Hoe presteer je wanneer publiek naar je kijkt? Studer et al (2014) zien hierin verschillen bij musici die al hoger scoren op angst. Logisch dat die hoger scorenden dan ook nog meer gespannenheid laten zien. Interessant is natuurlijk, waar komt die oorspronkelijke gespannenheid vandaan? Zijn de symptomen die Ellis en collegae (2016) beschrijven – ziek-zijn, misselijk, buikklachten, toenemende adrenaline enz – niet slechts de gevolgen van? Dan wijs ik toch terug naar het begin van deze alinea, qua genetische aanleg en de invloed van gehechtheid.

Wat leuk is om te zien, zonder te weten of we het over de kip of het ei hebben, is dat Constanzo en collegae (2016) observeren hoe topsporters minder gespannen reageren wanneer ze onder druk komen te staan dan niet-topsporters. Ook wanneer het niet hun expertise betreft. Ze lijken minder snel uit het lood geslagen en adequater te kunnen blijven handelen. Selecteert zich dat tijdens de sport uit? Of wordt deze vaardigheid – het adequaat handelen indien zwaar onder stress – gewoon meer getraind? Of beide?

Duidelijk wordt dat we in het veld steeds meer technieken aanleren om de stress te hanteren. Mindfulness (Gross et al., 2016; Röthlin et al., 2016) en allerlei psychologische en lichamelijke skills (McCloughan et al., 2016; Klein et al., 2014; Osborne et al., 2014) enz.

De kunst in het onderzoek…

Wat me dieper raakt in dit onderzoek is het prachtige model van de vierde dimensie door Carson & Collins (2016). Zij leggen de vinger op de zere plek: waarom worden onderzoeken zo vaak binnen te eenvoudige skills of vaardigheden onderzocht (de zogenaamde gesloten ketens)? Het gaat juist om de samenhang van ‘skill establishment’ – het werkelijk manifest worden van de techniek enz – met het zelfvertrouwen dat de betreffende persoon daarin heeft. Dit kan fungeren als een soort bolster tegen negatieve invloeden. In dit onderzoek wordt beschreven hoe stress niet altijd door performance afname leidt maar soms juist tot een toename.

Het is terug te zien in de topsport, waarin sommigen zichzelf juíst kunnen laten zien in een omgeving waar dat niet van ze wordt verwacht, of waarin ze negatief bejegend worden. Onderzoek waarin deze vierde dimensie – van de belichaamde vaardigheden en het vertrouwen daarin – niet wordt meegenomen, heeft geen meerwaarde om het choken-fenomeen te begrijpen.

Chapeau…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reacties

  • Avatar Johan schreef:

    Vanuit de praktijk

    Op het moment dat jij zelf weet dat jij het maximale inzet en gelijke tijd accepteert dat dat mogelijk niet voldoende is, maakt het niet meer uit wat een ander daar van vindt en zal dat veel minder tot geen invloed hebben op je handelen.
    De druk zal dan tot verhoging van de concentratie leiden om ook echt het maximale te leveren.

    • Jolan Jolan schreef:

      Dank voor je reactie Johan.
      We zijn het deels met elkaar eens. Waarin we verschillen, is dat ik ervaar dat – helaas – inzet niet de enige factor of zelfs de meest bepalende factor is. Zelfvertrouwen (komend in de basis vanuit het gezin en de leeromgeving) is hierin zeker zo beïnvloedend. Het bepaalt mede of iemand zich richt op de taak (techniek, tactiek) of zijn kunde afweegt (ego in de waagschaal legt).
      Wanneer er bijv. van jongs af aan scherp beoordelende ogen zijn geweest, kan iedere inzet als ‘nooit genoeg’ worden ervaren. De gerichte, taakspecifieke concentratie schiet functionaliteit voorbij en er kan te hard – dus ineffectief – worden ingezet op training.
      Mijn ervaring is dat niet iedereen in staat wordt gesteld een dergelijke veiligheid en vertrouwen op te bouwen. Met een competitieve afweging tot gevolg waarin ‘acceptatie’ in de oppervlakte blijft en dus tekort schiet.
      Fijn dat je jouw visie deelt, Jolan.