Pagina afbeelding

Literatuur

Voor je het weet, ben je in verwarring. Zoals ik.

Wat is het geval? Na iedere nascholing die Marianne Houben en ik namens 2thepoint voor haptotherapeuten geven, is er een evaluatie; gebaseerd op de vragen van de vereniging van haptotherapeuten (VVH).

In die evaluatie wordt o.a. de vraag gesteld hoe de cursisten de vakkennis van de docenten inschatten, op de schaal van 0 tot 10. We krijgen daarin stelselmatig tussen de 9,4 en 9,6 voor onze vakkennis (de laatste nascholingen alleen maar 9,6).

Voor het eerst merk ik dat ik dat echt een feestje waard vind. Marianne en ik hebben veel dezelfde maar zeker ook aanvullende kennis, dat is beide fijn. Van dezelfde basis uitgaan en aanvullend kunnen zijn. Heel prettig…

Daarnaast zijn onze cijfers voor toegepaste literatuur aanzienlijk minder goed, zo rond de 7. En daar balen we van. Tussen 0 en 10 is dat nog steeds best goed maar staat in contrast met onze overige scores.

Dus ik dacht, wat gebeurt er nou? Terwijl literatuur en de toepassing daarvan ons zo op en in het lijf geschreven is?

Dat vroeg om zorgvuldige zelfreflectie. Met een werkhypothese… Zou het zo kunnen zijn dat OMDAT we de literatuur zo leven en boekenkasten van de vloer lezen, dat niemand weet (lees: daar door ons niet in wordt meegenomen) dat bepaalde essenties o.a. in de opgegeven literatuur worden bevestigd?

Kortom, zijn we wel duidelijk waar onze antwoorden, stellingen en inzichten worden ondersteund? Op die vraag trek ik dan wat bleekjes weg: wellicht moeten we daarover wat duidelijker zijn.

Na het eerste interne hoofdschudden dacht ik ook, we leven in onze lichaamsgerichte therapie; we leven ‘embodiment’. Wellicht zijn de boeken in ons gekropen, zijn die boeken in ons lijf geschreven.

OK. Goed om duidelijker te zijn en ook… Lekker genieten van die mooie vak- en kennisscores!

Ik heb een missie. En dat vertel ik mijn cliënten met regelmaat. Ik hoop een bijdrage te leveren aan het bezitten en plezierig mogen ervaren van het lichaam door de rechtmatige eigenaar.

Dat klinkt bijzonder vreemd, dat snap ik, meestal is het lijf van degene die het heeft.

Toch is dat bij trauma-overlevers veelal niet het het geval. Vele cliënten geven aan: 1. hun lijf niet te vertrouwen, 2. het niet te willen waarnemen of te voelen, 3. er een hekel aan te hebben, of, 4. het zelfs regelrecht te haten.

Deze reacties komen niet zomaar tot stand. Ze hebben te maken met de ervaren onmacht tijdens het moment van de traumatische ervaring. Sterker, vaak is het lijf iets aangedaan (denk aan mishandeling of seksueel misbruik) waarop het heeft moeten reageren met defensies als ‘bevriezing’ (freeze) of ‘uitleveren’ (submit). Hoewel men benoemde situaties vaak met vechten en vluchten associeert, is het lijf wijzer en zorgt het ervoor dat het minder schade oploopt door juist immobiliserende defensies in te zetten.

Als er iets is waardoor gevoelde onmacht in het systeem komt, is het dat. Niet kunnen, vanwege bijvoorbeeld kracht-, afhankelijkheid- en/of machtsverschil, en dan deze afschuwelijke, traumatiserende ervaring moeten verdragen.

De keuze van het lijf, op een zeer wijs en basaal niveau, is om je zo min mogelijk schade te laten toebrengen. In de omgeving is hierover regelmatig weinig kennis van zaken. Verkrachting (of seksueel geweld in het algemeen) wordt dan ook snel gezien als iets waartegen je je had moeten verzetten.

Geloof me, als ik één mythe moet ontzenuwen, is het die: ‘ik had iets moeten doen’, ‘ik had me meer moeten verzetten’, en zinnen van vergelijkbaar kaliber. En dan zie ik het diepe verdriet van de mensen die niet meer vertrouwen op hun lijf, zich verraden voelen door eventuele prettige sensaties en die dat lijf vervolgens – waar ze kunnen – afsluiten en negeren. Of actief pijn doen wanneer ze worden getriggerd.

En het verdrietige is, het lijf heeft alle klappen opgevangen. Terwijl het vaak als dader wordt weggezet en soms zelf gehaat.

Daarom is mijn missie om samen met de cliënt via een lichaamsgerichte aanpak (vanuit de sensorimotor psychotherapy), het lijf bij de eigenaar te brengen. Ik zeg bewust niet ‘weer’ of ‘opnieuw’ – zoals ik geneigd ben te doen – omdat ik te veel mensen heb gezien die hun lijf nooit hebben mogen ervaren, voor en van zichzelf hebben mogen maken, en seksueel hebben mogen toe-eigenen.

Het lijf verdient om gevierd te worden. Juist door die prachtige eigenaar.

Met de verdieping in de neurofysiologische aspecten van interpersoonlijke relaties, kom ik ook leuke dingen over mezelf te weten. En bovenstaande kop is er één van.

Nu moet je weten, dat ik altijd enige weerstand had op het woord ‘lichaam’ t.o.v. het woord ‘lijf’. Dat heb ik nooit verder onderzocht, alleen ondervonden. Door het lezen van ‘The Master and his Emissary’ van Iain McGilchrist kwam ik er achter wat deze weerstand op het woord ‘lichaam’ zomaar zou kunnen hebben veroorzaakt. Of beter gezegd: waarom het me zoveel meer bevalt om het woord ‘lijf’ te gebruiken.

Immers, voor dat ik deze wetenschap doornam, schreef ik al de nascholing ‘Traumatische herinneringen en het lijf’, niet ‘Traumatische herinneringen in het lichaam’.

Van hem begrijp ik (op pag. 144) dat het woord ‘lichaam’ van het Duitse woord ‘körper’ komt; ‘lichaam als materieel object’. Het lichaam bevindt zich in de wereld. McGilchrist gaat zo ver als te zeggen dat het lijkt alsof de preferentie voor dit woord van het linkerbrein afkomstig is. Dan begin ik al enigszins te grinniken, omdat ik steeds beter de wezenlijke verschillen tussen het linker- en rechterbrein ga snappen.

Waar de linkerhersenhelft wel vaart op het beschouwende, het gekende, dat wat wordt gekend en in woorden wordt vastgelegd, gaat de rechterhersenhelft voor het totaal. Die rechterhemisfeer gaat voor het gevoelde, dat wat in de wereld is en wordt belichaamd.

Of moet ik nu belijfd zeggen? Oh, nu is de verwarring compleet!

In ieder geval verwoordt het ‘lijf’ niet alleen dat wat leeft maar ook iets wat wordt geleefd en beleefd. En met dat geleefde lijf, ‘the embodiment’ van de wereld, wordt steeds duidelijker waarom ik blijkbaar vanuit een gevoeld weten, voor het woord ‘lijf’ kies. Mijn rechterhersenhelft heeft hier duidelijk haar voorkeur uitgesproken!

Ik heb me altijd afgevraagd waarom ik het erg ingewikkeld vind om met mijn lief hand in hand te lopen en tegelijkertijd te praten. Vooral wanneer het ergens over gaat en ik moet nadenken.

Het gevoel van ingehouden worden, kan ik zo weer invoelen als ik er aan denk. Nooit begrepen. Tot pagina 115 van ‘The Master and His Emissary’ van Iain McGilchrist. (En dat is een naam die ik altijd even moet checken.)

Deze psychiater beschrijft hoe de rechterhand en het linkerbrein verbonden zijn in taal. Die hand heb je nodig om je taal te vormen. Je blijkt die hand te bewegen, er mee te zoeken naar de juiste woorden. Vat krijgend op je gedachten.

En laat ik nu vaak geneigd zijn om de linkerhand van mijn lief in mijn rechterhand te houden als we samenlopen.

Praten met je handen activeert het taalgebied in het linkerdeel van je hersenen: in het gebied van Broca, waar taal wordt gevormd. Sterker – hij veronderstelt dat de taal er is, om iets te grijpen, te conceptualiseren en er vat op te krijgen. Alsof je iets grijpt.

Niet alleen als metafoor. Het blijkt ook bij een functionele MRI het geval te zijn. Leuk. Minder handig als je die hand dus vastlegt, liefdevol, in de hand van je geliefde. Maakt het – ondanks de gevoelde verbinding – blijkbaar lastiger om het taalgebied te activeren, te helpen in het zoeken naar de woorden.

Natuurlijk denk ik dan vervolgens; hoe zet ik dit in bij mijn nascholing omtrent ‘Fundamentele Basisbewegingen’? Omdat ‘Grijpen’ namelijk één van die basisbewegingen is. Dus dan blader ik door de kaartenbak in mijn hoofd en wil er iets mee. Maar dat wil ik met alles.

Waarschijnlijk zal dit mooie weetje – en gevoelde ervaring – als een aangespoelde schelp op het strand blijven liggen.

Maar het cadeau heb ik al binnen: ik weet nu in ieder geval waarom ik me opgesloten voel in mijn eigen onvermogen wanneer ik precieze bewoordingen zoek; de hand van mijn lief vasthoudend!

Mooie ontdekking. Hoeft niets mee te gebeuren. Mag verder gewoon op het strand blijven liggen.

Ik kom aanrijden op het parkeerterrein waar we hebben afgesproken. Het is onze gebruikelijke plek, die overigens nu zo anders is in deze Coronatijd. Ik zie hem in de verte en hij zwaait. Hij zit met een grijns op zijn gezicht op een kampeerstoeltje. Op geruime afstand staat een tweede. Picknickmand staat er op een kleedje tussenin. Ik parkeer.

Hij vindt het fijn dat ik verrast ben. Dat zie ik. We lachen. Hij tast in de mand: thermoskan koffie, twee papieren bekertjes per persoon (zodat het niet te warm wordt). De bekertjes zijn in een plastic zakje gehuld en er is versgebakken cake. Zijn vrouw heeft ons consult feestelijk gemaakt. Ze is blij, ze ervaart weer verbinding met hem. En hij met haar.

Ik voel dat ik een foto wil maken. Dat kan niet. Is ook niet nodig. Neem gewoon waar.

Wat niet kan, geeft ruimte voor een nieuwe impuls. Even niet om-en-om een zwarte koffie voor hem en een espresso voor mij. Het tentje is dicht. Het is anders en nog leuker. Want met alles wat zijn vrouw in die picknickmand heeft gestopt, is duidelijk wat wordt ervaren.

We hebben een mooi consult. Met verse cake. Ik ben dankbaar.

Mijmerend over de nascholingen die we vanuit 2thepoint @life aanbieden, is er altijd de vraag: wat is van wezenlijk belang met betrekking tot dit onderwerp? En hoe willen we als aanbieder daarin worden gezien?

Dan komt een aantal kernzinnen op: recent zelf doorleefde en -genomen wetenschappelijke inzichten, ervaringsgerichte direct toepasbare oefeningen, dieper leren door zelf te ervaren, en niet in de laatste plaats: in het kleine zit het grote.

Het gaat ons om kwaliteit. Dat we als docenten met zes tot maximaal twaalf collegae te maken hebben, die we in de oefeningen nieuwsgierig kunnen maken wat ze in de kleine verschillen kunnen ervaren. Zelf. In hun hele lijf. Zodat ze dit optimaal gaan toepassen bij hun cliënten. Dat zij begrijpen waarom, wat en bij wie, zodat eventuele eigen aanpassingen makkelijk te bedenken en gegrond zijn.

Leer je bij ons in twee dagen hoe je met traumatische herinneringen in het lijf moet omgaan? Zeker. Behandeling van getraumatiseerde cliënten vraagt echter meer dan dat. Veel meer. Daarin is de zorgvuldigheid om gehechtheid en trauma uit elkaar te kunnen halen van groot belang; het vraagt immers een volledig andere behandeling. En hoe verhoudt traumatische gehechtheid zich tot beide? Bovendien: hoe ontvouw je een traumatische ervaring uit het lijf? En wellicht als belangrijkste: wat heb je te doen met je getraumatiseerde cliënt om een behandeling op te bouwen zodat de ervaring op iedere laag geïntegreerd kan worden? Daar spelen belangrijke factoren in mee die randvoorwaardelijk allereerst op orde moeten zijn.

Voor ons is van belang dat je de fasen niet alleen vanaf papier weet te bedenken maar dat je een traject kunt uitstippelen met je cliënt omdat je weet wat er nodig is om tot die integratie te komen. Met uiteraard besef van wat je daarin tegenkomt, ook van jezelf.

Er is meer voor nodig om je een specialist te noemen. Vinden wij. En daar staan we ook voor. Ben je dus bij ons na zes dagen intensieve training omtrent gehechtheid een specialist in ‘hechting binnen haptotherapie’? Nee. Wat we wél doen, is een curriculum bouwen dat haptotherapeuten voorbereidt op de groep mensen die zoveel zorgvuldigheid en kennis verdient. En daar hebben we verschrikkelijk veel plezier in.

Barbra Streisand zong het immers al zo mooi in het nummer ‘a piece of sky’: “The more I live – the more I learn – the more I learn – the more I realize – the less I know”.

Kijk wat we te bieden hebben op: http://www.2thepoint.life/aanbod/

Soms mijmer ik over bepaalde situaties en fantaseer dat ik een wiskundige formule kan loslaten op een vorm van intrigerend menselijk gedrag. Dat betrof deze ochtend het – zoals ik het bevoel – nauwelijks nieuwsgierig zijn naar de ervaring van de ander wanneer deze situatie zelf ook is meegemaakt.

Nu zijn er universele gebeurtenissen die bijna eenieder van ons wel een keer meemaakt: sterfgevallen, kinderen krijgen, verraden en verlaten worden, verliefd zijn, moeten verhuizen, enz. En juist daar waar nagenoeg iedereen die betreffende gebeurtenis wel eens mee heeft gemaakt, lijkt het luisterend oor eerder dicht te gaan dan opengesteld te worden.

Voor mij is een treffende gebeurtenis een kraamvisite: er is een vriendin of kennis bevallen. Dit menigmaal meegemaakt hebbende, ervaar ik dat een aantal vrouwen liever lijkt te praten over hun eigen bevalling, dan nieuwsgierig te zijn naar de ervaring van de vrouw die het net heeft meegemaakt en daar mogelijkerwijs nog vol van is. Niet prettig.

Het is op mij overgekomen als een rij wachtende vliegtuigen bij de startbaan van Schiphol. Dringend en netjes volgens de regels maar direct rijdend want anders is je tijd voorbij.

Het onvermogen om het eigen perspectief te laten en alleen maar nieuwsgierig te zijn naar de ander, lijkt voor mij in dit soort situaties heel zichtbaar te worden. Ook met scheiding, verraad enz. is het voelbaar. ‘Oh, breek me de bek niet open’, kunnen mensen verzuchten maar mijn ervaring is, ‘jouw lippen zijn met geen tien-seconden-lijm op elkaar te plakken, al zou ik er een houtklem bij halen!’.

Was ik er zelf maar vrij van! Nou, niet natuurlijk. Ik merk dat mijn vragen en interpretaties van de antwoorden – als ik niet oppas – gekleurd zijn omdat het raakt aan een eigen ervaring. Onderdeel van hetzelfde fenomeen. En ik pas niet altijd op of heb het niet altijd door. Dat maakt herstel – zowel privé als tijdens consulten – onmiddellijk noodzakelijk.

Vervolgens mijmerde ik wat verder: zouden we dit essentiële nieuwsgierig luisterende vermogen kwijt zijn geraakt omdat onze overleving niet meer afhangt? We weten immers alles, vooral wat we niet nodig hebben om te weten.

En met die gedachte zag ik opeens in mijn binnenste oog hoe een stam met een aantal vreemdelingen om het vuur zit om te luisteren hoe het aan de andere kant van de bergen is; daar waar de leden van deze stam nauwelijks komen maar als groep wel weet van wil hebben.

Ja, dat heeft een hoog Jean Auel gehalte (schrijfster van o.a. ‘De stam van de holebeer’) maar dat is dan maar even zo. We overleven wellicht niet meer in verhalende ontmoetingen. En mogelijk verliezen we daarmee de rust – kampvuur – en het vermogen – het gaat om jou en daar wil ik alles van weten – om werkelijk nieuwsgierig te zijn.

Wat nu met die formule? Oei. Ik kom vooralsnog niet verder dan dit, qua factoren van de luisteraar:

Wie weet brouw ik er nog iets leuks van… En nog fijner: komt iemand met een mooie suggestie en parmantige formule!

PS. Ik zoek – voor de plaatsing van deze blog – naar een foto omtrent ‘luisteren’. Verbaast het dat ik vooral koptelefoons in beeld krijg? Nee hè…

Deze titel, die wordt gedragen door het zeer aan te raden boek (2018) van Liesbeth Kennes, geeft voor mij o.a. aan waar het in liefdevolle, passionele seksualiteit over zou moeten gaan. Een wederzijds, doorvoeld ‘JA!’. De sociaal-cultureel pedagoge roert een scala aan onderwerpen aan – onderbouwd met passende wetenschappelijke cijfers – om mythe na mythe te ontzenuwen: mythen met betrekking tot seksueel geweld. Nu verlies ik mijzelf vaak en graag in de cijfers maar deze keer wil ik mij bewust richten op wat mij raakt in het boek, naast de continue herkenning en innerlijke ‘ja!’s’ die ik steeds heb gevoeld. Ik wil er één aspect uit lichten, omdat ik denk dat het aan de basis staat van hoe we – helaas nog steeds – seksueel met elkaar omgaan, en dat dat ook maakt dat seksueel geweld zo makkelijk aanwezig en ongezien blijft. Bovendien is het voor mij de basis van het feit dat we onze kinderen niet goed voorlichten over de aspecten waar seksualiteit wérkelijk over gaat.

Op pagina 153 beschrijft ze de oh-zo-essentiële verschuiving van de “er moet eerst een ‘nee-dit-wil-ik-niet’ zijn om het te laten”, naar de ‘ja-dat-vind-ik-heel-erg-lekker’ cultuur. Met een hogere frequentie dan ik zou willen beluister ik in mijn kamer dit bovenstaande probleem: ‘Ik moet expliciet nee-zeggen want anders is het logisch dat hij (zij) doorgaat’. Ik heb dat altijd zeer verwonderlijk gevonden, als mens en als psycholoog: je hebt elkaar toch lief omdat je elkaar liefhebt? Dus daar kan het toch niet gaan over het doorzetten van een eigen verlangen, ten koste van ongemak, niet-werkelijk-fijn-vinden of zelfs pijn van de ander? Niet is minder waar. Ik geef hieronder de stroom aan zinnen mee, die ik in de jaren heb gehoord, die me frapperen en aangeven dat we in onszelf en onze cultuur nog veel te doen hebben. Zolang dit in onszelf kan en mag voortbestaan, zullen we onze kinderen niets van waarde kunnen meegeven om het in hun generatie te voorkomen.

“Hij zoende zo lekker! Maar tijdens het vrijen deed hij altijd één ding dat me verraste en ik niet lekker vond.” () “Oh dat deed hij iedere keer! Maar ik zei er niets over omdat hij zo boos kon worden, hè.”

“Ja, van mij hoeft het niet altijd maar voor hem is het wel belangrijk dat hij ook naar binnen mag. Dus ja, dan doen we dat ook, want zo vervelend is het nou ook weer niet.”

“Ze knuffelde de kat op een gegeven moment meer dan mij. Ik kon jaloers zijn op die kat.”

“Ik stopte hem wel als het pijn deed en dan deed hij het even rustig aan. Dan ging het wel, dan deed het meestal geen zeer meer. Maar uiteindelijk ging het vaak steeds weer dieper.” () “Ik dacht dat het er bij hoorde, dat hij de relatie zou stoppen, als ik het niet deed.”

“Hij sleurde me voor de spiegel, liet me naar mijn borsten kijken. Vind JIJ DIT mooi? Nou dan!” () “Dus daarna heb ik die prothesen genomen.”

“Wat zal ik zeggen, ik kan toch kwalijk ‘nee’ blijven zeggen. Ik denk dan maar weer: is het weer gebeurd. Kan ik er weer een maand tegenaan.”

“Hij wil minstens drie keer per dag seks. Ja, ook op de avond dat ik van ons tweede kind beviel en anderhalf uur daarna weer.” () “Soms zit hij al te wachten als ik thuiskom van mijn werk. Op de bank. Dus ik ga wel eens extra boodschappen doen om het even uit te stellen en hoop dan dat hij iets anders is gaan doen.”

“Hij kan de hele dag zo chagrijnig doen en me afbekken. En dan ’s avonds in bed opeens seks willen. Ja, dat kan ik niet hoor!”

De crux van dit soort zinnen is dat seksualiteit niet over wederkerige lust en liefde blijkt te mogen gaan. Geen affectie maar wel seks. Waarom mag dat in onszelf (en poetsen we dat vaak weg) en waarom mag dat in onze cultuur? Ik denk dat het fundamenteel is om dit te keren, anders wordt deze systematiek naadloos doorgegeven aan de volgende generatie (met alle seksueel geweld vandien).

Ik wil eindigen met de man die in mijn kamer zat, partner van een vrouw die tot tweemaal toe slachtoffer werd van gangrape. Hij zat tegenover me en zei: “Weet u, soms houden we elkaar vast terwijl ze bij me op schoot zit. Dan ademen we alleen maar samen. En dan zijn we zo dichtbij elkaar.” () “Soms zie ik tijdens het vrijen dat ze er niet helemaal meer is. Dan stop ik. En vaak zegt ze dan: ‘ga maar door, hoor!’ maar dat kan ik niet, mevrouw. Dat wil ik niet. Snapt u?”

En dan voel ik hoop. Het kan.

In de tuin heb ik een gesprek. Op het gras ligt de hond – die mij eerder blaffend begroette – met uitgestrekte poten op zijn zij in het gras alsof hij niet enkele minuten eerder de gepassioneerde bewaker van het huis was. Bij de buren klinken geluiden in de achtertuin. Hij trekt zich er niets van aan, hooguit van de gaaien die krassend over het grasveld gaan.

Ik bekijk hem. Rustig ademend ligt hij volledig ontspannen in het gras. Er klinkt een ander geluid bij de buren, naast de klanken die er al waren. Eén oor staat direct overeind. Gespitst. Omdat het het soort hondenoor is dat half overeind staat, met de bovenkanten er zachtjes overheen zakkend, is het gestrekte oor in zijn liggende positie zeer opvallend.

Zijn neus blijft rustig in het gras, zijn lijf lijkt niet veel sneller te ademen maar ik kan dat niet goed zien. Eén ding is zeker: dat oor is er. En dat blijft tien, twintig seconden in dezelfde stand. Ik kijk er naar, omdat ik nieuwsgierig ben naar de oriëntatiereactie van deze hond. De selectieve alertheid die hij in aanvang heeft, van een mogelijke toenemende defensie, is interessant. Janina Fisher (2017, p24) heeft deze verdediging vanuit het lijf om te overleven toegevoegd: hyperalertheid.

Na wat bijna een halve minuut lijkt, zakt het zachte topje van dit fier overeind staande hondenoor iets naar beneden. In zijn lijf gebeurt er niets, hij verplaatst zijn snuit niet, beweegt zijn poten niet; hij blijft op zijn zij in het gras liggen alsof hij hondenbrokken op wolkjes voorbij ziet glijden. Als de geluiden hetzelfde blijven, zakt het topje verder en vouwt het oor zich uiteindelijk na een minuut in rust op zijn kop. Alsof er niets was, geen geluid en geen zorg.

En dan wil ik dit filmen en laten zien op de nascholing voor trauma. Wat zich live voor mij afspeelt, is zo prachtig om te zien: is er dreiging? Oriëntatie naar het geluid, verder geen ernstige alertheid maar wel in dit specifieke zintuig. En uiteindelijk wordt het sein ‘veilig’ gegeven. Een dergelijk alarm hebben we allemaal, ook als mens.

Natuurlijk moet ik dan denken aan de cliënte die tijdens de traumabehandeling meldde dat ze het ongeluk niet had zien aankomen. Haar oor zei tijdens de behandeling iets heel anders en liet met sterke pijnsensaties van zich horen toen we samen zeer vertraagd naar het moment schakelden waarop het ongeluk zou gaan plaatsvinden. Zo zie je, juist zo’n eerste oriëntatiereactie kan vast komen te zitten in het lijf.

En die hond? Misschien heeft hij van de gaaien gedroomd die achterstevoren zijn bek in vlogen. Het zou zo maar kunnen…

Op radio 1 hoorde ik een prachtige hedendaagse invulling van het Paasverhaal. (1) Dominee Ad van Nieuwpoort omschreef het als een confrontatie met onze hedendaagse pijn. Want daar nemen we weinig ruimte en tijd voor. We gaan het uit de weg, zo betoogde hij. Daar waar we niet tot ons recht komen, waar we niet op onze plek zijn of zelfs benauwd van worden. Die gevoelens worden snel weggepoetst want de neiging bestaat aan een standaard van geluk te moeten voldoen: een ‘fotoshopwerkelijkheid’ was het mooie woord dat hij er aan gaf.

Pasen wordt gevierd als het lijden van Christus en zijn wederopstanding. Dominee Nieuwpoort haalde het oerverhaal van de Joden er ook bij: Pesach. Er werd een weg gezocht uit de benauwenis van het leven in Egypte om naar ‘het land van melk en honing’ te gaan. In het verlengde van dat verhaal, stelde hij voor om tijdens Pasen stil te worden, naar binnen te keren, en te bevoelen welke – beklemmende – patronen doorbroken moeten worden. Om uit te zoeken waar je werkelijk tot je recht komt, binnen wat voor relatie, binnen welk werk.

Maar daar blijft het niet bij. Pasen gaat ook over het opstaan; niet neerleggen bij de bestaande orde maar opstaan en zoeken naar nieuwe wegen. Ook waar je ze niet verwacht: als Mozes door de zee. (2)

Pasen, zo stelde dominee Nieuwpoort, gaat over verloochening (eventueel ook van jezelf), worstelen met de positie waarin je zit, verraad (wellicht ook van jezelf) en de pijn die dat geeft. Sta er bij stil en sta er uit op, was zijn uitnodiging.

En wat betreft het woord zonde: het woord betekent oorspronkelijk ‘niet tot je recht komen’. Dus: leef waar je past, heb de relatie die jouw potentie aanboort, kom voluit tot bloei. Zonde, als dat niet zo is. Want ‘tot je recht komen’ verdienen we allemaal.

Als niet-religieus mens vond ik het een prachtige schets van waar Pasen over kan gaan. Ik zou zeggen: heb een mooi Pasen waarin alle belemmeringen herkend mogen worden om er vervolgens – via nog onbekende wegen – uit op te staan!

 

Noten:

  1. (Na te luisteren op: npo radio1 => van 19.10 min tot 26.15 min.)
  2. (Overigens hebben wetenschappers zich gebogen over het wonder. Er staat ‘yam suf’ = ‘zee van riet’ en is wellicht onterecht vertaald als de Rode Zee. Lees verder: Scientias: Hoe spleet Mozes de zee?).